Aristoteles: een wetenschapsmens - streven naar geluk Volgens Aristoteles ligt het geluk voor de mens in de verwezenlijking van zijn persoonlijkheid, van de mogelijkheden die hem onderscheiden van de andere dieren. Aangezien de mens zich voornamelijk onderscheidt door zijn redelijk vermogen, moet de rede het sleutelbegrip zijn voor het gelukkige leven. Maar ook hier stelt de Stageriet zich uiterst pragmatisch op: geluk bereikt men niet zozeer door theoretische kennis of inzicht, maar door zijn gezond verstand te gebruiken in de dagelijkse beslissingen van het leven. In zijn streven naar geluk heeft de mens niet zozeer behoefte aan de wetenschap van een Anaxagoras, de geleerde sterrenkundige, als wel aan het praktisch vernuft van een Piricles, de Atheense leider die de machtsverhouding in zijn stad perfect aanvoelde. Om tot dit geluk te komen, moet de mens volgens Aristoteles door goede gewoontes een voortreffelijk karakter verwerven. Aristoteles gaat uitgebreid in op de voortreffelijkheden die zo’n karakter kenmerken: dapperheid, matigheid, vrijgevigheid, vriendelijkheid, geestigheid, rechtvaardigheid, oprechtheid, bedaardheid… Al deze deugden zijn volgens Aristoteles houdingen die het midden houden tussen een tekort en teveel; tussen vermetelheid en lafheid; tussen ongevoeligheid en onmatigheid; tussen gierigheid en verkwisting; tussen norsheid en vleierij; tussen lompheid en platte grappenmakerij. Het komt erop aan altijd in de juiste mate dapper, vrijgevig tegenover de juiste persoon, op het juiste ogenblik, met de juiste bedoelingen en op de juiste manier te zijn. De mens moet, net zoals in de geneeskunde of de navigatie, van geval tot geval altijd weer opnieuw nagaan welke houding past bij bepaalde situaties. Eric en Jonathan CD- en boekenkeuze van de maand Ook deze maand hebben we weerom een keuze gemaakt uit het aanbod nieuwe CD's en boeken van Het Griekse Eiland, Westerstraat 96 te Amsterdam. Paschalis Terzis - Mijn eigen weg De stem en de liederen van deze zanger worden omschreven als "behorend tot het beste van de alomgeliefde lai'kó" en met deze nieuwe cd staan wij des te meer achter deze uitspraak. Paschalis Terzis heeft een prachtig manneliike, bij tijden ingetogen, dan weer passievolle stem (denk in de richting van de stem van Mitropanos). Zijn liederen raken je, blijven je bij. Luister bijvoorbeeld naar nummer negen: Jij bent een mes. Natása Theodoridou - Tweede De eerste cd van deze "nieuwe" laïká-zangeres was een groot succes en deze tweede cd is een waardige opvolger. De muziek is afwisselend: het ene nummer een wat moderner, sneller ritme, het andere nummer wat meer traditionele laïká met goed bouzouki-spel. De modernere nummers liggen makkelijk in het gehoor, maar de voorkeur gaat naar de laïká-nummers, ook omdat die haar stem beter recht doen. Nummer tien zingt ze samen met Paschális Terzis en die twee zijn zeker aan elkaar gewaagd.. Vasilis Dimitriou - Grote woede De instrumentale nummers (zes nummers) en de liederen (twaalf nummers) werden geschreven door Vasilis Dimitriou bij de televisie-serie, gebaseerd op het gelijknamige boek van Dora Yannakopoulou, die zelf vroeger zangeres was, maar sinds enige jaren romans schrijft. De liederen worden gezongen door Christos Thivéos en Anastasia Moutsót-sou; van allebei vinden we dat ze erg mooie stemmen hebben. Christina Maragkozi - Bladzijde uit het leven Als je van hedendaagse liederen met een snel ritme houdt, zoals van Anna Vissi of Kety Garby, dan is deze cd een zeer goede keus. Vrolijke muziek gezongen door deze Christina die een uitstekende stem heeft. Melina Kaná - Buit De cd is het resultaat van een samenwerking van de componist Thanósis Papakonstandinou, de zangeres Melina Kaná en de groep Ashkhabad, bestaande uit musici uit Turkmenistan, maar ook Griekse musici verleenden hun medewerking. Deze combinatie levert een zeer aangename cd op van aanstekeliike, opzwepende dansnummers (prachtig klarinet- en viool spel) afgewisseld met melodieuze liederen. Er staan drie Instrumentale nummers op de cd. Kostas Chatzis - …de avonden waarvan de zigeuners dromen De zanger, componist en tekstschrijver Kostas Chatzis maakt al vanaf 1964 platen en heeft veel samengewerkt met Marinella. Voor deze nieuwe cd met veertien liederen werkte hij echter samen met een nieuwe zangeres, Andonia Chatzídi, die vier liederen zingt. Chatzis heeft een heel eigen stijl ontwikkelt met liederen die hij zelf benoemt als volkse of erotische ballades. Voor sommigen zullen deze liederen, waarvan de teksten zoals altijd bij hem zeer poëtisch zijn, te weinig "Grieks" klinken, maar dat deert de Griekse koper allerminst. Eleni Karaïndrou - Een eeuwigheid & een dag De vaste componiste bij de films van Anghe1ópoulos en zo ook bii diens laatste film Een eeuwigheid & een dag is Eleni Karaïndrou. Het is hele mooie muziek die je direkt weer terugbrengt in de sfeer van de film, die diepe indruk achterlaat. Let bij deze muziek op het klarinetspel van Nikos Guinos: klasse. Anghelos Dionysíou - Onderbewustzijn Net als de andere zoon van Strotos Dionysíou, Stelios, is ook zoon Ánghelos enige tijd geleden in de voetsporen van zijn vader getreden. Ánghelos is al een paar jaar langer bezig met zijn carrière als zanger en heeft ook meer cd's uitgebracht dan zijn broer Stelios, maar qua stem doen ze niet voor elkaar onder. Deze nieuwe cd Onderbewustzijn bereikte in no time de hoogste regionen van de Griekse toplijsten en als u naar de cd luistert, begrijpt u waarom: het is stevige, goede lai'ká. Minos '99, 40 grote successen Zoals u gewend bent van de verzamel-cd's van de firma Minos, is ook deze dubbel-cd weerom de moeite waard. Op 2 cd' s kunt u zangers beluisteren die grote hits hebben in Griekenland, waaronder: Dimitris Mitropános, Notis Sfakianá6kis, Yannis Parios, Antzela Dimitríou, Tolis Voskópoulos, Valándis, Zafiris Melás en Anghelos Dionysíou. Charálambos Garganourákis - Moeder Kreta De zanger en lyra-speler Charálambos Garganourákis zingt al jarenland Kretenzische liederen, uitgevoerd tijdens concerten en op cd en is alom geliefd vanwege zijn mooie vertolkingen van de muziek van dit eiland. Zo ook op deze cd, met vijftien mooie, zorgzaam gezongen liederen, waaronder zeven nummers syrthós, twee rizítika en een instrumentale pendozáli. Sofia Souli - Liefdesleven van de oude Grieken De opvattingen van de oude schrijvers, de liefdes van de goden, het huwelijk als instituut, homofilie, prostitutie: vele aspecten van de liefde passeren de revue in deze rijkelijk geïllustreerde gids met veel afbeeldingen van kunst uit de Oudheid. In het Nederlands. Cor van Sliedrecht - De sandouri, het Griekse hakkebord Veel mensen zullen blij ziin dat er wat over een Grieks muziekinstrument in het Nederlonds verschijnt. De schrijver heeft de lezing die hij hield op 4 april tijdens een van de avonden die de Vereniging Groningen-Griekenland organiseert ter publicatie aangeboden. Het boekje geeft op beknopte wiize veel lezenswaardigs over dit Griekse instrument en ook een discogrofie en bibliografie ontbreken niet. In het Nederlands Patricia Storace - Ontmoeting met Persephone De schrijfster doet op humoristische en gedetailleerde wijze verslag van een jaar wonen en reizen in Griekenland. Ze vertelt over het dagelijkse leven, maar vergeet mythen en verhalen van de klassieke oudheid, de politieke actualileit en het prachtige landschop zeker niet. Dit boek kwam al eerder uit, maar is tijdelijk, als zomeraanbieding, in prijs verlaagd. In het Nederlands, vertaling van Han Meyer, ook in het Engels verkrijgbaar. Griekenland & Grieken Deze namen zijn afgeleid van Grai'koi, de naam van een stam in Noord West-Griekenland. De Romeinen pasten de naam (Latijns: Graeci) op de bewoners van heel Griekenland toe. Uiteindelijk gebruikte zelfs Aristoteles in zijn geschriften de term op soortgelijke wijze. Een andere oude naam, Ioniërs, komt vanaf de 8ste eeuw voor Christus in Assyrische spijkerschriftdocumenten voor, alsook in Perzische en Egyptische annalen. Deze naam is afgeleid van Javan (Hebreeuws: Ja·wan'), de zoon van Jafeth en kleinzoon van Noach. Javan was de Jafethitische voorvader van de oude volken van Griekenland en de omliggende eilanden, en klaarblijkelijk ook van de vroege bewoners van Cyprus, gedeelten van Zuid-Italië, Sicilië en Spanje. Hoewel de aanduiding „Ionisch" tegenwoordig geografisch gezien betrekking heeft op de zee tussen Zuid-Italië en Zuid-Griekenland, met inbegrip van de eilandenketen langs de West-kust van Griekenland, werd deze aanduiding eens in een ruimere zin toegepast, die meer overeenkomt met het gebruik van het woord „Javan" in de Hebreeuwse Geschriften. In de achtste eeuw vóór Christus sprak de profeet Jesaja over de tijd dat de teruggekeerde ballingen van Juda naar verre natiën gezonden zouden worden, onder andere naar „Tubal en Javan, de verafgelegen eilanden". In de christelijke Griekse Geschriften wordt het land Hel'las en het volk Hel·le'nes genoemd. De Grieken zelf gebruikten deze namen reeds verscheidene eeuwen voor de gewone tijdrekening en doen dit nog steeds. „Hellas" kan verband houden met „Elisa", een van de zonen van Javan. Na de verovering door de Romeinen in 146 vóór Christus werd ook de naam Achaje op Midden- en Zuid-Griekenland toegepast. Het Griekenland omvatte het zuidelijke deel van het bergachtige Balkanschiereiland, alsook de nabijgelegen eilanden van de Ionische Zee in het Westen en van de Egeïsche Zee in het Oosten. In het Zuiden lag de Middellandse Zee. Waar de Noordelijke-grens lag, staat niet vast, vooral omdat de Javanieten van Griekenland in vroegere tijdsperiodes geen op zichzelf staande natie vormden. In latere tijden zou „Griekenland" zich echter tot de landstreken van Illyrië, gelegen langs de Adriatische Zee, en Macedonië hebben uitgestrekt. Wellicht hebben de Macedoniërs en degenen die later als Grieken bekendstonden, in werkelijkheid dezelfde oorsprong.Net als nu was het land in de oudheid ruig en rotsachtig, en ongeveer drie kwart ervan bestond uit ruw kalksteengebergte waarvan de hellingen met dichte wouden begroeid waren. Aangezien het land arm was aan vruchtbare vlakten en dalen en de bodem uit rotsachtige grond bestond, was slechts een klein gedeelte geschikt voor landbouw. Het milde klimaat leende zich echter voor de verbouw van olijven en druiven. Andere produkten waren gerst, tarwe, appels, vijgen en granaatappels. Kudden schapen en geiten vonden in de onbebouwde gebieden weidegrond. Er waren ook mineraalafzettingen - zilver, zink, koper en lood - en de bergen leverden grote hoeveelheden hoogwaardig marmer. Javan onder degenen gerekend die met Tyrus handeldreven en worden onder de handelsgoederen ook „voorwerpen van koper" genoemd. Voordelen Vanwege de bergen was het reizen over land tijdrovend en moeilijk. Door dieren getrokken wagens bleven in de winter gemakkelijk steken. De zee was dus de beste verbindingsweg voor transport en communicatie. Langs de lange, sterk gelede kustlijn - door baaien en inhammen diep ingesneden - lagen talrijke havens en aanlegplaatsen. Aangezien vele baaien zich tot diep in het land uitstrekten, was vrijwel geen enkele plaats binnen de vroegere grenzen meer dan zestig kilometer van de zee verwijderd. Het zuidelijke deel van het Griekse vasteland, de Peloponnesos genoemd, was bijna een eiland. Slechts een landengte tussen de Saronische Golf en de Golf van Korinthe verbindt de Peloponnesos met Midden-Griekenland. (Nu doorsnijdt het Kanaal van Korinthe - een ongeveer zes kilometer lang kanaal zonder sluizen - de isthmus, zodat de Peloponnesos thans volledig van het vasteland gescheiden is.) De Javanieten van Griekenland werden al vroeg een zeevarende natie. De hak van de Italiaanse laars, aan de overkant van de Straat van Otranto, was slechts ongeveer 160 km van het Noord Westen van het land verwijderd. In het Oosten dienden eilandengroepen - pieken van een verzonken plateau - als reusachtige stapstenen waarover men de Egeïsche Zee kon oversteken om Klein-Azië te bereiken. In de Noord Oostelijke-hoek van de Egeïsche Zee voerde een zeeëngte, de Hellespont (ook de Dardanellen genoemd), naar de Zee van Marmara, van waar uit men via de Bosporus in de Zwarte Zee kon komen. In vroege tijden voeren Griekse schepen ook langs de Zuid-kust van Klein-Azië naar Syrië en Palestina. Een schip kon overdag wel hondert kilometer afleggen. Het bezorgen van de brieven die Paulus waarschijnlijk vanuit Korinthe aan de Thessalonicenzen in Macedonië schreef, kan derhalve een week of langer in beslag genomen hebben, afhankelijk van de weersomstandigheden (en hoeveel havens het schip onderweg aandeed). De Griekse invloed en nederzettingen bleven beslist niet beperkt tot het vasteland van Griekenland. De vele eilanden waarmee de Ionische en Egeïsche Zee bezaaid zijn, werden net zozeer als een deel van Griekenland beschouwd als het vasteland. Zuid-Italië en Sicilië behoorden tot het zogeheten Groot-Griekenland (Latijns: Magna Graecia). Zoals de geschiedenis toont, hadden de Javanieten van Griekenland contact met die van Tarsis (Spanje) en onderhielden zij handelsbetrekkingen met hen; daarin overtroffen zij de Feniciërs in grote mate. Soortgelijke betrekkingen bleken te bestaan tussen de Grieken en de Javanieten van Cyprus. Herkomst Hedendaagse geschiedschrijvers opperen verschillende ideeën over de herkomst van de Griekse stammen en hun vestiging in het gebied. De populaire mening van achtereenvolgende „invasies" van stammen uit het noorden is voornamelijk gebaseerd op de Griekse mythologie en op archeologische gissingen. Het geschiedkundige verleden van Griekenland gaat in werkelijkheid niet verder terug dan de achtste eeuw vóór Christus (de eerste olympiade begon in 776 vóór Christus), en een ononderbroken geschiedenisbericht gaat slechts terug tot de vijfde eeuw vóór Christus. Dit was vele eeuwen na de Vloed en derhalve lang na de verstrooiing van de menselijke families als gevolg van de spraakverwarring in Babel. Gedurende deze vele eeuwen hebben misschien andere etnische groepen zich met het oorspronkelijke geslacht van Javan en zijn zonen vermengd, maar over de tijd voor het eerste millennium vóór Christus bestaan slechts theorieën van twijfelachtige waarde. Belangrijkste Tot de belangrijkste stammen die in Griekenland werden aangetroffen, behoorden de Achaeërs, die in Thessalië, het centrale deel van de Peloponnesos en Boeotië woonden; de Aetoliërs, die in het Westen van Midden-Griekenland, het noordelijke deel van de Peloponnesos, Elis, Aetolië en de nabijgelegen eilanden te vinden waren; de Doriërs, die zich in het oostelijke deel van de Peloponnesos, op de zuidelijke eilanden van de Egeïsche Zee en in het Zuid Westen van Klein-Azië hadden gevestigd; en de Ioniërs, die Attica, het eiland Euboea, de eilanden in het midden van de Egeïsche Zee en de West-kust van Klein-Azië bewoonden. Het is echter niet zeker of er enige verwantschap bestond tussen deze stammen en de Macedoniërs uit vroegere periodes. Patriarchale De Griekssprekende stammen waren tamelijk zelfstandig, en hetzelfde kan gezegd worden van de zich ontwikkelende stadstaten binnen de stammen. Dit was toe te schrijven aan de geografische kenmerken van het land. Veel Grieken woonden op eilanden, maar op het vasteland woonden de meesten in kleine door bergen omgeven dalen. Over hun vroege sociale structuur merkt The Encyclopedia Americana op: De fundamentele sociale eenheid was het patriarchale huisgezin... . De patriarchale traditie was diep in de Griekse cultuur verankerd: In een stadstaat (polis) vormden alleen de volwassen mannen de concrete gemeenschap der burgers. De patriarchale familie leefde binnen een reeks concentrische verwantschapsgroepen - de clan (genos), de fratrie (of groep van stamverwante families), de stam. Dit komt heel goed overeen met de in het bijbelboek Genesis beschreven patriarchale regeling die na de Vloed bestond. De situatie in Griekenland deed denken aan die in Kanaän, waar de verschillende stammen (die van Kanaän afstamden) kleine koninkrijken vormden met vaak een bepaalde stad als middelpunt. De Griekse stadstaat werd po'lis genoemd. Deze uitdrukking schijnt oorspronkelijk betrekking gehad te hebben op een acropolis of een op een heuvel gelegen stadsburcht, waaromheen nederzettingen ontstonden. Later ging het woord het hele gebied en de bewoners van de stadstaat aanduiden. De meeste Griekse stadstaten waren klein; gewoonlijk telden ze niet meer dan 10.000 inwoners (de vrouwen, slaven en kinderen niet meegerekend). Over Athene wordt gezegd dat het in zijn bloeitijd in de vijfde eeuw vóór Christus slechts ongeveer 43.000 mannelijke inwoners had. Het mannelijke inwonerstal van Sparta bedroeg slechts ongeveer 5000. Evenals de kleine koninkrijken van Kanaän verbonden de Griekse stadstaten zich soms met elkaar, maar soms bestreden ze elkaar ook. Het land was politiek versplinterd tot de tijd van Philippus II van Macedonië. Democratische Van de bestuursvorm in de meeste Griekse stadstaten weet men slechts weinig. Een uitzondering hierop vormen Athene en Sparta, waarvan de staatsvorm vrij goed bekend is en klaarblijkelijk aanzienlijk verschilde van de in Kanaän, Mesopotamië en Egypte gebruikelijke staatsvormen. Op zijn minst in de zogenoemde historische tijd hadden de Griekse stadstaten geen koning maar magistraten, een raad en een volksvergadering (ek·kle'si·a). Athene experimenteerde met rechtstreekse democratie (het woord democratie is afgeleid van het Griekse de'mos, wat volk betekent, en kra'tos, wat heerschappij betekent). In deze regeling vormde de burgerij het wetgevende lichaam, waarbij elke burger in de volksvergadering inspraak en stemrecht had. De burgers vormden echter een minderheid, aangezien vrouwen, inwonende vreemdelingen en slaven geen burgerrechten bezaten. Men denkt dat de slaven in veel stadstaten wel een derde van de bevolking uitmaakten. Ongetwijfeld hadden de burgers dank zij de slavenarbeid voldoende vrije tijd om aan de volksvergadering deel te nemen. Het is opmerkenswaard dat in de vroegste in de Hebreeuwse Geschriften voorkomende verwijzing naar Griekenland (omstreeks de 9de eeuw voor Christus) wordt vermeld dat Tyrus, Sidon en Filistea Judeeërs als slaven aan de zonen van de Grieken (letterlijk: „Javanieten" of „Ioniërs") verkochten. Handel Afgezien van de landbouw, die de voornaamste bezigheid was, vervaardigden de Grieken ook vele produkten, die voor een deel werden geëxporteerd. Griekse vazen waren overal in het Middellandse-Zeegebied beroemd. Zilveren en gouden voorwerpen, alsook wollen stoffen, waren eveneens in trek. Er waren talrijke zelfstandige bedrijfjes. De eigenaars waren handwerkslieden, die enkele arbeiders, hetzij slaven of vrijen, in dienst hadden. In de Griekse stad Korinthe werkte de apostel Paulus met Aquila en Priskilla samen in het tentenmakersvak; waarschijnlijk gebruikten zij stof van geitehaar, dat in Griekenland ruimschoots voorhanden was. Wegens zijn strategisch gunstige ligging bij de Golf van Korinthe en de Saronische Golf werd Korinthe een belangrijk handelscentrum. Andere voor de handel belangrijke steden waren Athene en Aegina. Griekse In Griekenland ontvingen alleen jongens onderwijs of een opleiding, en het voornaamste doel ervan was hen tot goede burgers te maken. Maar elke stadstaat had zijn eigen opvatting over wat een goede burger was. In Sparta legde men zich vrijwel uitsluitend toe op lichamelijke ontwikkeling; jonge jongens werden op zevenjarige leeftijd bij hun ouders weggehaald en tot hun dertigste jaar in kazernes ondergebracht. In Athene kwam de nadruk uiteindelijk meer te liggen op kennis van de literatuur, wiskunde en kunst. Een slaaf die het vertrouwen genoot - pai·da·go'gos genoemd - begeleidde het kind naar school, waar de opleiding op de leeftijd van zes jaar begon. (Merk op dat Paulus de Mozaïsche wet met een pai·da·go'gos vergeleek) De dichtkunst werd in Athene zeer hoog aangeslagen, en er werd van de leerlingen verlangd dat zij veel gedichten uit het hoofd leerden. Hoewel Paulus zijn opleiding in Tarsus in Silicië had ontvangen, haalde hij in Athene korte citaten uit gedichten aan om zijn boodschap kracht bij te zetten. Toneelspelen, zowel tragedies als komedies, werden zeer populair. Aan de filosofie werd in Athene en mettertijd in heel Griekenland grote belangrijkheid toegekend. Tot de grotere groepen filosofen behoorden de sofisten, die van mening waren dat waarheid een zaak van ieders persoonlijke opvatting was; dit standpunt (dat overeenkomt met dat van de hindoes) werd bestreden door beroemde Griekse filosofen als Socrates, zijn leerling Plato en diens leerling Aristoteles. Andere filosofieën hielden zich bezig met de eigenlijke bron van geluk. De stoïcijnen waren van mening dat men om gelukkig te zijn in harmonie moest leven met de rede; alleen daar komt het op aan. De epicuristen geloofden dat genot de ware bron van geluk is. Filosofen van de twee laatstgenoemde scholen bevonden zich onder degenen die in Athene met Paulus discussieerden, wat tot gevolg had dat men hem naar de Areopagus voerde om daar ondervraagd te worden. Nog een filosofenschool was die van de sceptici, die het standpunt innamen dat in wezen niets in het leven van belang was. (wordt vervolgd) Eric en Jonathan Ikonen deel IV Goud, 'kleur der kleuren' In de Byzantijnse ikonografie was goud zeer geliefd, het werd overvloedig gebruikt ter bekleding van de achtergrond (in zeer dunne bladen dukatengoud) en om volume aan kleding en bouwwerken te verlenen (door een ragdun aderwerk aan te brengen, het assist): deze voorliefde voor goud kwam uit de oudheid, zoals bijna alle elementen van de Byzantijnse ikoon. Goud als metafoor van het licht. De christelijke ikonenkunst voegt er nog een betekenis aan toe: goud, 'kleur der kleuren', bestaat niet in natura en heeft dus de betekenis van het 'niet geschapen licht': het eeuwige licht, dat het schepsel omhult, transfigureert en daarmee deelnemer maakt aan het paradijs. De aanwezigheid van goud is, zo geïnterpreteerd, een teken van het goddelijke, van de manifestatie in tastbare vornl van de onzichtbare Aanwezigheid die de gehele kosmos met Zijn wezen doordrenkt. De glans van goud heeft bovendien de eigenschap te ‘verblinden’. Goud verlicht de materie en verleent het een mysterieuze gloed van vuur; maar de verblindende schittering van goud vormt ook een barrière die het ruimtelijk perspectief verhult en het onmogelijk maakt voor het oog de ruimte binnen te dringen; goud brengt de realiteit eerder als een ‘mysterie’ en benadrukt de ‘angstaanjagende’ aanwezigheid van God (‘verterend vuur’: Exodus 24:17). Dezelfde betekenis van vuur heeft het goud op de koepels van Byzantijnse kerken, die het vuur van het gebed en van het hemelse Jeruzalem symbolisren. Het Byzantijnse gebied De benaming ‘Byzantium’ omvatte alle gebieden oostelijk van het voormalige Romeinse Imperium: het Balkanisch schiereiland, Kreta, Cyprus, de Egeïsche Eilanden, Klein-Azië, Syrië, Palestina, Egypte, een deel van Mesopotamië, van Armenië en Arabië, en enkele steden op de Krim en in de Kaukasus. Anders dan in het westelijke gebied, waar de staden, eens rijk en dichtbevolkt, ten gevolge van de volksverhuizingen leegliepen en het leven zich verplaatste naar het platteland, vervulden de steden in Byzantium (ongeveer duizend in de vijfde-zesde eeuw) een fundamentele rol in het bestaan van het land. Etnisch en linguïstiek was de samenstelling van het Byzantijnse Rijk heterogeen: Griekse bevolkingsgroepen en gehelliniseerde volkeren (uit de Balkan en Klein-Azië), semitische en oriëntaalse groepen wisten hun culturele en traditionele eigenheden te bewaren. Van bijzonder belang was de invloed van Byzantium in Italië, dat op cultureel gebied doordrongen raakte van de christelijke Oriënt. De ikoon in huis en in de kerk Na de ‘victorie van de heilige beelden’, waarmee in 843 een einde kwam aan het iconoclasme, vond er een nog grotere verspreiding plaats van ikonen onder de christenen, die deze niet alleen in de kerken vereerden, maar ook thuis een ereplaats voor ikonen inrichtten. Op stadspoorten werden ikonen aangebracht en ze werden als banier meegevoerd in de voorlinies van de legers, ze werden in processie door wegen en velden gedragen om gevaren af te wenden of om een goede oogst af te smeken. Ze werden overal gezien als weldadige en gezaghebbende aanwezigheid, als deelgenoot van het menselijk leven in al zijn aspecten: zo waren er ikonen die kraamvrouwen beschermden, pelgrims begeleidden, zieken bijstonden, of waakten bij de stervenden; er was zelfs een ikoon die, tussen de handen geklemd, meeging in het graf, om de overledene voor te gaan als 'pleiter' naar de troon van Christus op de Dag des Oordeels. De ikonen die we vandaag de dag in het Westen zien, komen uit Rusland en Griekenland en zijn meestal klein van formaat en bedoeld voor het gebed in huis. In de Russische huizen, in ieder geval tot aan het begin van de eeuw, was er altijd een klein heiligdom ingericht - ‘mooie hoek’ genoemd - waar tussen lichtjes en bloemen de ikonen stonden die de familie beschermden, en waar men op intieme en liefdevolle wijze de christelijke devotie betuigde. Op de randen van deze ikonen waren meestal de schutspatronen (heiligen en engelen) van de verschillende familieleden afgebeeld. Bezoekers brachten eerst hun groet aan de ikonen, dan aan de bewoners van het huis. De ikonenwand Kenmerkend voor oriëntaalse kerken is de wand met ikonen die het schip, waar de gelovigen bidden, scheidt van het priesterkoor, waar rond het altaar priesters en diakenen de liturgie celebreren. Deze scheiding was al te zien in de Byzantijnse kerken van de tiende en de elfde eeuw en bestond eenvoudigweg uit een lage muur of uit een borstwering met een hek, waarop pilasters stonden die bovenaan onderling verbonden waren, en waaraan, gericht naar de gelovigen, de ikonen werden opgehangen; de meest voorkomende waren die met de Moeder Gods en Johannes de Doper in de deesis-houding: de smekende houding om genade voor de mensheid te verkrijgen. Een oosterse traditie van vóór het jaar duizend wilde inderdaad dat op de Dag des Oordeels de Madonna en Johannes naast de troon van Christus zouden verschijnen om medelijden af te smeken met de zondaars. Hier vindt de ikonenwand zijn oorsprong en zal zich, eenmaal in Rusland geïntroduceerd, vanaf de veertiende eeuw op een geheel eigen en bijzondere manier ontwikkelen. Opgetrokken uit hout en bijna tot aan het plafond reikend, biedt hij plaats aan meerdere rijen (vijf, soms zelfs zes) ikonen, die zijn aangebracht naar een vast schema dat herinnert aan het verhaal van de Verlossing en dat, symbool is van het hemelse Rijk. De onderste rij, het dichtst bij de biddenden, bestaat uit vaak monumentale ikonen (de zogenoemde proskinesis, die altijd Christus Pantokrator en de Moeder Gods met Kind voorstellen, de belangrijkste personages dus (hierom worden ze ook 'despotische ikonen' genoemd), die geflankeerd worden door de patroonheiligen van de Kerk en de stad. Jn deze onderste rij bevinden zich eveneens tussen de ikonen drie poorten: in het midden de dubbele 'koninklijke' poort, of de poort 'van het paradijs' (waardoor alleen de priester in liturgisch gewaad tijdens de hoogtepunten van de eredienst mag gaan), en opzij de enkele 'diaconale' poorten, die door de diaken wordt gebruikt om van het absidium naar het schip te komen. Op de koninklijke poort is altijd de Annunciatie geschilderd; wat lager zijn meestal de vier evangelisten geschilderd of de heilige Basilius en Johannes Chrisostomos, schrijvers van de belangrzjkste teksten van de Bvzantijnse liturgie. Het tweede register bestaat uit de deesis, met in het midden de Verlosser gezeten op de troon tussen de goddelijke krachten en aan beide zijden de stoet heiligen (apostelen, aartsengelen, martelaren, kerkvaders) in smekende houding. De deesis is het belangrijkste aandachtspunt van de ikonenwand, omdat het de band laat zien tussen Christus, aanwezig in de eucharistie, en de mensheid, niet alleen de getransfigureerde mensheid die te zien is op de ikonen, maar ook de mensheid in de Kerk die in afwachting is van de communie met de heiligen. De deesis is dus voor iedereen de belofte van het paradijs. Op de derde rij is de dodecaorton aangebracht, de twaalf feestdagen van het Byzantijnse liturgische jaar: Maria Geboorte; de presentatie van Maria in de Tempel; Maria Blijde Boodschap; geboorte van Jezus; Jezus in de tempel; de Doop; transfiguratie; intocht in Jeruzalem; Opstanding; Hemelvaart; Maria Sterfdag; Kruisaanbidding. In de volgende registers worden de Patriarchen en de Profeten voorgesteld, en ten slotte, boven op de wand, het Kruis, om te her inneren aan het feit dat de Kerk - triomferend in de Hemelen, pelgrim op aarde - haar oorsprong en vervolmaking vindt in de menswording, het Lijden en de wederopstanding van de Verlosser. In de oudtestamentische rij wordt vaak de Maagd ‘van het Teken’ weergegeven, die Emmanuel toont in een medaillon op haar borst. Maagd van Smarten De typering van de Moeder Gods als Maagd van Smarten komt wel voor in het repertoire van de Byzantijnse schilderkunst, in ieder geval vanaf de twaalfde eeuw, maar is zeldzaam. In de vijftiende eeuw werd deze compositie - zinnebeeldige vooruitwijzing naar het lijden van Jezus - vaak uitgewerkt in talrijke ikonen. Aangezien de mooiste de naam van Andreas Ritztos ‘uit Chania’ dragen, schrijft men deze typering van de Maagd aan hem toe. De voorstelling hieronder is eigenlijk Byzantijns en de behandeling van de stijve kleding bijna academisch: Nieuw is hier de onwillige en angstige beweging van het Kind, dat een sandaaltje verliest, en de bewogen tederheid in het gelaat van de Moeder. ‘Het samengaan van deze twee uitersten verklaart tot op zekere hoogte het succes van dit beeld in het Westen als in het Oosten’ (M. Chatzidakis) het Maryo & Tombourlika ensemble Het werd nog niet aangekondigd in de agenda van de mei editie van het Eleftheria Paralias Magazine, maar werd toch nog tijdig aangekondigd op onzae website: het Maryo & Tombourlika ensemble - de levende legende van de haven van Thessaloniki - zou op 1 augustus te Brugge in Gruuthuuse optreden in het kader van "Klinkers '99". De levende legende van de haven van Thessaloniki en Diva van de rembetika zijn twee echo's uit de internationale pers die de reputatie van Maryo proberen te vatten. Als geen ander weet deze charismatische vocaliste de atmosfeer van directheid en ongedwongenheid, zo eigen aan de Rembetiko-cultuur, op haar publiek over te zetten. Rembetiko vertoont, zowel in haar muzikale vormgeving als in de behandelde thema's, een zekere verwantschap met de blues. De songs vertellen over een leven in de marge van de Griekse stedelijke samenleving en de daar belangrijke thema's: liefde en menselijke relaties, maar ook prostitutie, verslaving, werkloosheid, … . Deze levensliederen ontstonden uit een ontmoeting én uitwisseling tussen de westerse en oosterse muziekcultuur. Oorspronkelijk muziek van de talrijke Griekse vluchtelingen uit Klein-Azië, die zich vestigden in de achterbuurten van de steden Athene, Piraeus en Thessaloniki, die gaandeweg haar weg vond binnen de Griekse populaire muziek. Traditioneel oosterse instrumenten werden vervangen door bouzouki, accordeon en gitaar. De melodieën werden van hun oosterse ornamenten ontdaan en kregen een ritmischer, compacter karakter. Maryo is tevens één van de laatste authentieke vertolkers van het Café Aman-repertoire. De eerste Café Amans ontstonden in de periode rond 1870, als een reactie tegen de invasie van het Café Chantant, en de daarmee gepaard gaande europeanisering van de Griekse tradities. Een grote groep muzikanten organiseerde zich in deze Café Aman, in de hoop de authentieke, oriëntaalse wortels van de Griekse cultuur te vrijwaren. Deze beweging deinde uit over heel Griekenland. De Café Aman bracht bijna alle verwante populaire Oost-Mediterrane muzikale tradities samen: van de folk uit Epirus, over de zeimbekikos uit Klein-Azië, tot buikdansen uit Egypte. Uiteindelijk kan deze Turkenmuziek de groeiende Europese invloed op de Griekse cultuur niet stoppen en wist slechts te overleven in de marginaliteit van de Griekse samenleving tot eind jaren '40. Het concert met het Maryo & Tombourlika ensemble bood dan ook een unieke kans om kennis te maken met deze diep oriëntaalse wortels van de Griekse muziek. De groep werd naar aanleiding van Klinkers '99 speciaal uit Thessaloniki ingevlogen. Naast Maryo (vocals) bestaat het gezelschap uit Yannis Alexandris (ud en gitaar), Kyriakos Gouventas (viool), Thansasi Halkis (bouzoukí), Nicos Psofoyorgos (percussie) en Michalis Ouzounis (accordeon).