kies je eigen wandelroute: trekken op Kreta
Het zuidwesten: van Omalós naar Vathí (vier- of vijfdaagse tocht)
Het zuidwesten begint of eindigt niet in Omalós! Er liggen geschikte wandelpaden tussen Omalós en Epanochóri, waar je kamers vindt. Door de korte, maar wilde en - vooral in het voorjaar - waterrijke Iríni-kloof wandel je in vier uur naar Soúgia. Vanuit Soúgia leiden rode verfstrepen of de E4 je over heuvels en langs een paar eenzame strandjes naar Paleóchora (aantrekkelijk plaatsje!!!). In Paleóchora kun je in de vroege ochtend de bus naar Koundoura (of: Galios) nemen om de asfaltweg door een serregebied te vermijden.
Hier begint een ideaal wandelpad, gemarkeerd met rode stippen en / of E4-bordjes, tot Elefonísi (schittrend zandstrand, turkooizen lagune, eiland). Je kunt daar overnachten ofwel een uur verderop in de buurt van Moni Chrissoskalítissas (ongezellig dorp, maar het klooster is het bezoeken waard).
Als je hier geen busverbinding hebt, wandel je gewoon verder in een anderhalf uur naar Vathí, een klein plaatsje met een gezellig kafeneíon, waar je op een aangename manier op de bus naar Chaniá kunt wachten.
Als de Samariákloof gesloten is…
Als je in april naar het zuidwesten gaat, is de kloof nog dicht. Hoe dan verder trekken? Het traject Agía Rouméli - Soúgia is zwaar: een tocht van dertien uren, zonder kafeneíon, pension of waterbron, en met enkele gevaarlijke passages. Sommigen klaren de klus in één dag, anderen nemen een tentje mee of zoeken een beschut plekje. Dat kan echter alleen met een warme slaapzak, proviand en veel water.
Wie niet op zo'n tocht buiten categorie uit is, keert vanuit Agía Rouméli of Loutró met de boot terug naar Sfákia en neemt daar de bus naar Chaniá. Daar kun je kiezen: met de bus naar Omalós en verder te voet, of met de bus naar Soúgia.
Vanuit Soúgia zijn een paar aantrekkelijke dagtochten mogelijk: oostelijk naar Tripití en terug, noordelijk met de bus naar Agía Irini en te voet door de Irini-kloof naar Soúgia. De volgende dag stap je dan naar Paleochóra en zo verder.
Reken niet op boten tussen Agía Rouméli en Soúgia, want die varen alleen in functie van de Samaría-toeristen.
In de schaduw van Psiloritis: van Spíli naar Ano Zaros, door de vallei van Amári
Spíli, een stadje met een Venetiaans verleden, ligt tussen Réthimnon en Agía Galíni, en is dus gemakkelijk met de bus te bereiken. Deze weinig gelopen tocht door het Kédrosgebergte over dorpen als Kissos, Gerakári en Fourfourás is ook een zoektocht naar de E4.
Vanuit Fourfourás kun je de machtige Psilorítis, Kreta's hoogste top (2.456 meter), bijgenaamd Timios Stavros, beklimmen en afdalen. Deze tocht, die gemarkeerd is door de E4, neemt twee dagen in beslag; je overnacht op de top. Tent en/of warme slaapzak, proviand en veel water meenemen. Je kunt ook afdalen naar Kamáres; dan duurt de tocht ook twee dagen.
Wie de bus wil nemen naar Kamáres, stelt vast dat die niet verder rijdt dan Lochriá, de provinciegrens, en dat je nog enkele kilometers moet lopen. Kamáres is ook een bekend vertrekpunt voor de beklimming van de Psilorítis, normaal een tweedaagse tocht, maar sommigen lopen in één dag op en neer. Een must is hier echter de wandeling naar de Kamáresgrot, waar Zeus zou zijn geboren.
Vanuit Kamáres kun je weer de E4 volgen naar Ano Zaros. Hier kun je één van Kreta's mooiste kloofwandelingen maken: door de Roúwaskloof naar het kerkje van Agios Ioannis. Het onderste gedeelte is helaas erg toeristisch en verderop ook nog door een brand verwoest, maar de natuurpracht in het waterrijke bovenste gedeelte maakt dat ruimschoots goed.
Vanuit Ano Zaros kun je gemakkelijk naar Míres, een belangrijk tussenknooppunt.
Van noord naar zuid:
Over de hoogvlakte van Lasíthi en het Díktigebergte naar de zuidkust en het Asteroússiagebergte
Verlaat de bus van Iráklion naar Agios Nikólaos in Vrahási. Je kunt enkele dagen wandelen in de groene hoogvlakte van Lasíthi en de omringende hoge bergen, waarvan het Díktigebergte het meest woeste is. De hoogvlakte zelf heeft door haar ligging op 850 meter hoogte, een meer gematigd klimaat dan het grootste gedeelte van Kreta, zodat het er ook in de zomer relatief fris is, maar in april. oog nog echt koud kan zijn.
Vanuit Magoulás lopen rotsige, oude wegen zuidwaarts, naar Xeniákos, Embarós en Ano Viánnos. Vanuit Viánnos uit kun je desgewenst lopend of liftend in Keratókambos aan de kust geraken, en dan verder de kustlijn volgen, zowel naar het oosten als naar het westen. Vooral in oostelijke richting wordt het landchap vaak ontsierd door plastic serres. Een dagwandeling (heen en terug) van Tsoútsouros naar Agios Nikítas biedt mooie uitzichten op zee en bergen, en goede zwemmogelijkheden.
De halve-dagwandeling van Tsoútsouros naar Kastellianá, door een kloof vol oleanders, is meer dan de moeite waard. Overnachten moet je meer westelijk in Pírgos. Zuidelijk van Pírgos ligt het Asteroússiagebergte, een gebied dat met zijn schaarse bewoning, rotskust en intieme strandjes aan de dromen van elke wandelaar tegemoet komt.
Naar de top van de Aféndis Stavrómenos
De bus van Agios Nikólaos naar Sitía stopt onder andere in Kavoúsi, een aardig dorp waar je bij Marika, een kafeneíon met blauwe deur tegenover de kerk, goedkoop kunt logeren. Een boeiende wandeling, met uitzicht over de Golf van Mirabello, gaat naar het bergdorp Thrípti en klimt verder naar de Afendis Stavrómenos (1.476 meter, de hoogste top in oostelijk Kreta).
Het verre oosten
Het toerisme van bungalowparken en hotelcomplexen met zwembaden probeert in de omgeving van Sitía (een van de droogste gebieden van het eiland) aarzelend van de grond te komen, maar verderop is het oosten nog helemaal van de Kretenzers. Vanuit Paléokastro wandel je noordelijk naar het palmenbos van Vaï en kun je zuidelijk de wandeling (blauw gemarkeerd) naar Chochlakiés volgen, en verder stappen, liften of bussen tot Zákros.
Zákros is bijlange niet zo aantrekkelijk als Kató Zákros, maar het is het vertrekpunt voor de beklemmende wandeling door het "Dal van de Doden", een absolute aanrader in Oost-Kreta. Deze kloof was ooit de necropool van de Minoërs: de talloze grotten herbergden hun doden. Tussen de monding van de kloof en de zee worden de overblijfselen van een Minoïsch paleis opgegraven. Kató Zákros ligt aan een wondermooie baai. Er zijn taverna's op het strand. 's Nachts heerst er de stilte, de dag nodigt uit tot een verkenning van het kustgebied.
Er zijn twee mogelijkheden om deze verkenning van het oosten af te ronden. Je kunt van Kató Zákros naar Xerókambos gaan, ofwel over de gebaante weg, ofwel door je eigen kustpad te zoeken. De volgende etappe gaat door de diepe kloof ten noordwesten van Xerókambos naar Lamnioni en Zíros. De andere mogelijkheid biedt het stuk E4 tussen Zákros en Zíros, door een ruw en onherbergzaam gebied: een waardige afsluiter.
Liesbeth Spreuwers - Reiskrant n° 110 - mei 1999
Poëzie: Griekse vogels
Griekenland mag dan grotendeels bevolkt worden door Grieken, maar die heb je dan ook weer in soorten, blijkens het volgende lied van Prodromos Tsaousakis en L. Bournelis
Die van Piraeus is een mangas
die van Roumeli ‘houdt er wel van’
de Athener heeft een gulle hand,
de Cyprioot is vaderlandslievend,
die van Kefalonia uitgekookt
en die van Rhodos een toerist.
Die van Istanboel is gehaaid
die uit Smyrna eentje van 12 ambachten
die van Volos speelt vals
en de Epiroot is op de centen
de Kretenzer, nou, is een frivole
en de Macedoniër minziek.
De eilander is rustig,
die van Salamis een danser,
die van de Peloponnesos een liefhebber
en die uit Oost-Attika een feestnummer;
die uit Thessalië en Tracië
zijn stuk voor stuk ridders.
Die uit de Mani is recht door zee,
die uit Menidi een stijfkop,
die uit Patras een aristocraat,
die uit Kalamata een despoot,
die van Naxos een boef,
die van Evvia een rokkenjager.
Met dank aan Ithaki, Grieks-Belgische culturele vereniging, Mechelen
ten huize van … Zorba
het bonte straatleven:
onze leden Franky en Saskia Montens wonen in een Grieks Paradijs !

Franky en Saskia thuis in Griekenland
Het wordt een zuiderse reis die begint bij het huisnummer - in de Griekse kleuren wit en blauw, en omringd door zuilen - en eindigt op de zolderverdieping waar de Acropolis oplicht onder een sterrenhemel…
Huisbewoner Franky Montens (36) is geografisch informatie systeem-beheerder van de gemeente Oostkamp. "Iedereen noemt me Zorba De Griek", glimlacht 'de zotte Griek'. "Mijn passie voor Griekenland deed ik op toen ik ams achttienjarige knaap met Ultra Montes voor de eerste keer naar het prachtland reisde. Delphi, Korinthe, Olympia, Athene, … Liefde op het eerste gezicht: mooi weer, mooie natuur, interessante cultuur, enorm vriendelijke mensen, geen stress. Kortom: onbeschrijfelijk. Eénmaal terug in ons kikkerlandje zei ik tegen mijn ouders: ik ga werken, geld sparen en keer terug…"
Pauselijke neiging
"Helaas heeft hij toen mij leren kennen," knipoogt Saskia Longueville (28). In 1992 trouwde de kassierster uit de Kieskeur op Sint-Pieters met haar Oostkampse Griek. "We gingen op huwelijksreis naar Kreta. Oef, ik ben weer thuis, zuchtte Franky toen we Griekse bodem voelden. Ja, ook ik verloor er mijn hart. We zijn ondertussen al vijf keer teruggekeerd. Wanneer ik op het vliegveld aankom, moet ik mij inhouden of ik doe de paus na…"
Gebeten door de microbe begonnen Saskia en Franky te timmeren aan hun Griekse tempel in Oostkamp. In de woonkamer is de schouw versiert met een zelfgemaakt fronton van een tempel. "De muren orden binnenkort witgekalkt, de ramen en de meubels krijgen een blauw laagje," blikt Saskia vooruit. "We gaan een aanvraag doen om onze voorgevel ook in Griekse kleuren onder te dompelen…"
Blijde verwachting
Terwijl de kater Zorba en de poes Minos stoeien, stelt Saskia haar spruiten voor. "Leander (5) is het Grieks voor man van het volk. Larissa's (4) naam verwijst naar het Griekse plattelandstad. Aan hun doopsuiker hing een Ionische zuil, een Parthenon en een blauw-wit vlaggetje."
De zuiders getinte moeder is in blijde verwachting van een derde 'Griekje'. "Wordt het een jongetje, dan heet hij Ianis; een meisje Dionisia of Athene. De drank voor in het moederhuis staat al klaar: Mavro Davne ofte Griekse porto."
Franky beloofd ons mee te nemen naar Griekenland. Langs witte treden, blauwe leuningen en groene beplanting troont hij ons mee naar de zolderverdieping. 'Roof Garden Acropolis' siert de deur. Eénmaal binnen slaat de warmte toe. De radiators draaien volle bak en aan een muurwand licht de Acropolis op. Een volle maan en sterrenhemel dienen als décor. "Deze maquette heb ikzelf gemaakt", glimlacht de ontwerper trots. "Het toont het betoverend uitzicht op de Acropolis dat je krijgt vanop een dakappartement in Athene. Als ik daarenboven een casette opleg met krekelzang kan ik als het ware de zon zien zakken in de zee. Wist je dat deze site de mooiste zonsondergang ter wereld heeft?"
Verslaving
Druivelaars prijken boven je hoofd, yuka's vullen de hoeken en blauwe regen siert de kasten. Goed voor circa twintigduizend frank aan kunstplanten. De échte fruit- en olijfbomen voor binnenshuis zijn besteld. In de bar lonken flessen zoals ouzo, haraki en retsina. Een andere kast verraadt gezelschapsspelen zoals de Doos van Pandora, het Paard van Troje of een modelbouwpakket van een Griekse tempel. Naast de trits Griekse boeken valt ons oog ook op een verzameling Grieks getinte strips: van De Laatste Spartaan van Alex tot Jommekes Paniek op de Acropolis.
"Dit is geen hobby, maar een passie, een verslaving," geven onze gesprekspartners toe wanneer we de verzamelwoede gadeslaan: drie-dimensionele puzzels van Griekse sites, afbeeldingen van Achilles en Athene, horloges en fotokaders omlijst door zuilen, vazen beschilderd met mythische taferelen, een reisikoon, Griekse strijders uit Kindersurprise, de Venus van Milo, enzoverder…
65 kilogram souvenirs
"De eerste keer dat we van Griekenland terugkwamen, hadden we 65 kilogram souvenirs mee" bekent Franky die bekent dat hij sinds 1991 lid is van onze vereniging. "Ik ben ook de benjamin van de taalklas Grieks. Ine diskolo, het is verdomd moelijk. Ik heb geïnformeerd voor een schotelantenne waarmee ik de Griekse radio en televisie zou kunnen ontvangen…"
Griekse flora
Ondanks het winterse weer lijkt de zon in de veranda en de tuin van Franky en Saskia ook in november fel te schijnen. Het terras kreeg al een witte verflaag. De blauwe omlijsting, het rieten afdakje en de rode bloemenpracht is werk voor deze zomer. "Er komen nog rotsblokken, een leeuwenfontein en een zelfgemaakte byzantijnse kerk - met kaars, icoon en karaf olijfolie - als pronkstuk. We zijn nog op zoek naar winterharde planten met een Griekse invloed, zoals deze kruipthijm en palmbomen", wijst Franky aan.
"Twee druivelaars moeten de frescomuur omarmen. Ook bestelden we vlinderstruiken, cypressen en citroenbomen. Eén Griekse vlaggenmast komt in de hoek, naast een zuil met goddelijke buste", verklapt Zorba die in de aanpalende garage een archeologische site wil nabootsen. "Als we op ons terras zitten, moet het zijn alsof we in Griekenland zijn. En als de mensen passeren moeten ze even halt houden en zeggen: hé, hier woont een Griek!", klinkt het in koor uit de mond van Franky Montens en zijn eega Saskia Longueville.
Suzanne Bauwens (Krant van West-Vlaanderen, 19 november 1999).
Wie Griekse voorwerpen (brochures, pins, kaarten, afbeeldingen,…) liever kwijt dan rijk is, kan er Franky en Saskia dolgelukkig mee maken. Eén belletje naar 050-84.00.39 volstaat.
Muzikale tradities: THRACIË
Thracië: Ritmes en dansen
Thracië is, voor wat ritmes betreft, een van de rijkste gebieden van Griekenland. Buiten de trage, bijna bewegingloze liederen op een vrij ritme, komt men een mengeling tegen van heel simpele tot samengestelde ritmes (van twee- tot twaalfvoudige en zelfs wisselende maten). Natuurlijk stemmen al deze ritmes overeen met een even grote verscheidenheid aan dansen. De belangrijkste daarvan (zowel rijdansen als dansen voor paren) - met hun belangrijkste plaatselijke varianten - zijn de volgende: de Zonarádikos, de dans bij uitstek van Thracië, die verschijnt in een groot aantal varianten en benamingen (Doúzikos, Stavarotós, Trelós, Klostrós, Ísios, Koulouriastós, Tsésos, Alatzádikos, P'lal'tós, Pappiásos, Daïkotós, …), de twee huwelijksdansen Mantilátos en Synkathistós, de Baïdoúska en de Syrthós Synkathistós. Deze dansen zijn karakteristiek voor de westelijke kant van het vasteland van Thracië. Er is ook een grote verzameling rondedansen zoals de Chasápikos, die zijn oorsprong vond in Konstantinopel en die nu plaatselijke varianten kent die samen met de Karsilamá eerder in de oostelijke gebieden van Thracië worden gedanst. Daarnaast vullen de gewonere, minder verspreide dansen zoals Laïsios, de Jíkna, de Tapinós tis nýfis, de Xésirtos, de Gaïdáni, de Dáchtili en de Podaráki het uitgebreide spectrum van de Thracische dansen aan. Het dient te worden opgemerkt dat de vrouwen op hetzelfde deuntje vaak anders dansen dan de mannen!
Tevens moeten we opmerken dat, vooral in het westen van Thracië, deuntjes en dansen die van elders uit Griekenland komen, of uit naburige bevolkingsgroepen van ex-vluchtelingen, een lokaal kleurtje krijgen en worden aangepast aan dansen uit de streek. Zo kun je hier een Kalamatianós van het vasteland tegenkomen die gespeeld wordt als een Synkathistós, een Pontiakós Kótsari die werd gewijzigd in een Chasapiá, een Pontiakós die meer op een Mantilátos lijkt… Het gaat hier over een typisch aanpassingsvermogen dat kenmerkend is voor een levendige en gezonde traditie in dans en muziek.
De muziekinstrumenten
Een even grote verscheidenheid vinden we ook terug bij de volkse muziekinstrumenten die in de traditionele Thracische muziek worden gebruikt. Speeltjes werden ze genoemd, en de muzikanten tsalkatzides, in de betekenis van rondtrekkende muzikanten. Vroeger overheersten doedelzakken en lange herdersfluiten en de "heilige" instrumenten van de feestvierders, de lier en de trommel. Begeleiding met een trommel was zeker niet buitengewoon. De lier wordt tegenwoordig alleen nog maar gebruikt door de ex-vluchtelingen uit het noorden van Thracië, maar werd ook in het westen van Thracië nog gebruikt tot de eerste jaren na de oorlog. Een variante van de lier, die door de Turken de Griekse lier werd genoemd en geliefd was bij de bevolking van Konstantinopel, wordt niet meer gebruikt door de ex-vluchtelingen uit Oost-Thracië, evenmin als het kanonáki (een soort santouri) en de luit, muziekinstrumenten die geëigend waren voor de burgerlijke liederen uit Knostantinopel. In de streek van Orestiáda werden de kerstliederen (de kálanda) begeleid door grote tamboerijnen die daïrédes worden genoemd en "vuurtangen" (met dezelfde klank als een tamboerijn), terwijl we in de streek van Komotini de bekende zygiá van het Griekse vasteland aantreffen: schalmei en trommel, gewoonlijk in de handen van zigeunermuzikanten. Heden ten dage spelen er, op feestjes en heiligendagen, meer en meer orkestjes die - in volle bezetting - spelen met klarinet of fluit, viool, oúti en een langwerpige trommel die tramboúka (lammeling) wordt genoemd. In de periode tussen de oorlogen werd er voornamelijk gespeeld op viool en oúti (of tsimbi, een instrument dat lijkt op een banjo), terwijl uit foto's van die tijd blijkt dat de bevolking van Oost-Thracië ook over santoúri's, hoorns en klarinetten beschikte. De naoorlogse Thracische orkestjes gebruiken de luit en ook steeds meer de accordeon. Tenslotte vermelden we een instrument dat zijn bloeitijd kende in Konstantinopel en verdween zoals het was gekomen: het draaiorgel, dat vooral voorkwam in burgerlijke centra vanaf het einde van de negentiende tot de eerste helft van de twintigste eeuw.
Nikólas Galánis
vertaald door Frank De Cock (Ithaki v.z.w. - Mechelen)